Je bent hier : Dienstverlening  >  Doorstart  >  Inkomen zonder arbeid  >  Vervangend inkomen
zaterdag , november , 17 2018

Voor wie wil werken, maar gewoon niet kan werken.

4.2. Verwerven van een vervangend inkomen

4.2.1. Recht op werkloosheidsuitkering

Werknemers die hun werk verliezen, kunnen beroep doen op een werkloosheidsuitkering. Dit kan oplopen tot meer dan 1.600 euro per maand. Klik hier voor de actuele bedragen.
De uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit, geeft geen recht op een werkloosheidsuitkering.
Als land- of tuinbouwer kan je dan ook meestal niet genieten van een werkloosheidsuitkering wanneer je stopt met boeren.
Als je altijd als zelfstandige hebt gewerkt, dien je nog een wachttijd te doorlopen voor je aanspraak kunt maken op een uitkering via de werkloosheid.

Heb je vóór je zelfstandige activiteit nog als loontrekkende gewerkt, dan behoud je wél het recht op werkloosheidsuitkering als je jouw zelfstandige activiteit stopzet binnen de 15 jaar, nadat je gestart bent als zelfstandige.

Bijkomende voorwaarde is dat je voldoende aantal dagen gewerkt hebt voor je startte als zelfstandige.

  • Jonger dan 36 jaar, minstens 312 dagen gewerkt hebben over een periode van 18 maanden.
  • Tussen 36 en 45 jaar, minstens 468 dagen gewerkt hebben over 25 maanden.
  • Ouder dan 50 jaar, minstens 624 dagen gewerkt hebben.

Bij de aanvraag voor werkloosheidsvergoeding, moet je een 'attest van de laatste werkgever' kunnen voorleggen. Uit dit attest moet blijken dat de laatste werkgever zijn ex-werknemer niet meer wil aanvaarden.

Voor bijkomende inlichtingen kan je terecht bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) of jouw vakbond.

4.2.2. Ocmw-hulp

Ondanks de uitgebreide sociale wetgeving, kan je in bepaalde gevallen over onvoldoende inkomsten beschikken. Het sociaal statuut van zelfstandigen biedt heel wat minder bescherming dan dat van loontrekkenden. Zeker als je na de bedrijfsbeëindiging niet zo vlot een nieuwe job vindt, kan dit een probleem vormen. Het ocmw kan hulp bieden onder de vorm van materiële en immateriële steun. De meest bekende financiële steun van het ocmw is het recht op maatschappelijke integratie

Het recht op maatschappelijke integratie

Vanaf 1 oktober 2002 is een nieuwe wet van toepassing, namelijk de wet inzake het recht op maatschappelijke integratie van 26 mei 2002. Deze wet vervangt de oude bestaansminimumwet van 1974. Net zoals de wet op het bestaansminimum, voorziet deze nieuwe wet in een uitkering voor mensen die geen inkomen hebben. Maar er is meer. De wet (art.2) bepaalt dat "elke persoon recht heeft op maatschappelijke integratie. Dit recht kan onder de voorwaarden bepaald in deze wet bestaan uit een tewerkstelling en/of leefloon, die al dan niet gepaard gaat met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie."
Tewerkstelling wordt als het middel bij uitstek gezien om deze maatschappelijke integratie te realiseren.

Wie kan het recht op maatschappelijke integratie aanvragen?

Er zijn een aantal voorwaarden om toegang te krijgen tot dit recht. Dit zijn:

  • nationaliteit: Belg, erkend politiek vluchteling, staatloos en vreemdeling ingeschreven in het bevolkingsregister;
  • leeftijd: meerderjarig (18 jaar), ontvoogd minderjarig, zwanger minderjarig, ongehuwd minderjarig met kind(eren) ten laste;
  • gewoonlijke en effectieve verblijfplaats in België;
  • ontoereikende bestaansmiddelen;
  • bereidheid tot werken, eventueel vrijstelling hiervan wegens gezondheids- en billijkheidsredenen;
  • het uitputten van de rechten op sociale uitkeringen en onderhoudsgeld.

De mogelijke rechthebbenden worden opgedeeld in twee groepen, personen jonger dan 25 jaar en personen van 25 jaar en ouder.

Groep -25-jarigen

Het OCMW is verplicht om voor deze personen een tewerkstelling te voorzien. Indien dit niet onmiddellijk een haalbare kaart is, moet er een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie uitgewerkt worden. Dit kan een project zijn dat

  • gericht is op tewerkstelling (arbeidsproject)
  • gericht is op vorming (vormingsproject)
  • gericht is op studies met voltijds leerplan (studieproject)

Dit project wordt vastgelegd in een formele overeenkomst tussen het OCMW en de aanvrager. In afwachting van de tewerkstelling of voor de duur van het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie of wanneer vastgesteld wordt dat de aanvrager wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan werken, wordt aan de aanvrager een leefloon uitbetaald. De toekenning en behoud van dit leefloon is in het geval van een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie gekoppeld aan de naleving van dit project door betrokkene.

Groep 25 jaar en ouder

Voor deze personen heeft het OCMW geen verplichting om te voorzien in een tewerkstelling. Wanneer de aanvrager voldoet aan de algemene voorwaarden voorzien in de wet, wordt zijn recht op maatschappelijke integratie gerealiseerd wanneer het OCMW hem een leefloon toekent. De toekenning en het behoud van het leefloon kan, zoals voor de jongeren, gekoppeld worden aan een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.
De categorieën van rechthebbenden en het bedrag van het leefloon vanaf 1 juli 2018.

Categorieën bedrag per maand  
Cat.1 samenwonende personen € 595,13
Cat.2 alleenstaanden € 817,36
Cat.3 persoon met gezinslast € 1 230,27

Geldelijke bijstand

Het recht op maatschappelijke integratie/leefloon wordt wettelijk geregeld maar blijkt soms onvoldoende.
In dat geval kan het OCMW extra geldelijke bijstand verlenen. Bovendien kunnen personen die geen recht hebben op het recht op maatschappelijke integratie/leefloon, zoals vreemdelingen en minderjarigen, ook een beroep doen op geldelijke bijstand, gelijk aan het bedrag van het leefloon.

Bijkomende tegemoetkomingen

Naast het recht op maatschappelijke integratie/leefloon en de geldelijke bijstand kan het OCMW ook bijspringen om bepaalde hoge kosten te helpen dragen. Dit zijn de zogenaamde bijkomende tegemoetkomingen.
Op die manier draagt het OCMW, rekening houdend met het inkomen, bij in de kosten voor huur, energie, geneeskundige verzorging, geneesmiddelen en opname in het ziekenhuis

Voorschotten op onderhoudsgeld voor kinderen

Sedert 1 oktober 2005 is de opdracht voor het verlenen van voorschotten op onderhoudsgeld kinderen toegewezen aan de Dienst Alimentatie vorderingen (DAVO) van de Federale Overheidsdienst Financiën.

Verwarmingstoelage.

De maximumprijs van huisbrandolie is aanzienlijk gestegen. Daardoor lopen mensen met een laag inkomen het risico om in moeilijkheden te geraken. Daarom werd de vzw Sociaal Verwarmingsfonds opgericht. Het komt gedeeltelijk tussen in de betaling van de verwarmingsfactuur van personen, die zich in een moeilijke situatie bevinden. Het is een uitvoerend initiatief van de overheid, de OCMW's en de petroleumsector.

Het Sociaal Verwarmingsfonds wordt gespijsd via een solidariteitsbijdrage op alle olieproducten die bestemd zijn voor verwarming (huisbrandolie en bulk propaangas).

Wie heeft er recht op?
Categorie 1: personen met recht op verhoogde verzekeringstegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering (WIGW en Omnio statuut).
Tevens is vereist dat het jaarlijks bedrag van het bruto belastbaar gezins-inkomen van deze gerechtigden, niet hoger is dan €18 363,39 verhoogd met €3 399,56 per persoon ten laste.

Categorie 2: personen met begrensd inkomen
De personen met een jaarlijks bruto belastbaar gezinsinkomen dat lager is of gelijk aan € 16.965,47, verhoogd met € 3.140,77 per persoon ten laste. Voor de berekening van dat inkomen wordt rekening gehouden met het kadastraal inkomen (x3) van andere woningen dan de gezinswoning.

Categorie 3: personen met schuldoverlast
Personen met een schuldbemiddeling of een collectieve schuldenregeling en die de verwarmingsfactuur niet kunnen betalen.

De in aanmerking komende brandstoffen zijn:

  • huisbrandolie in bulk: een verwarmingsbrandstof, ook stookolie of mazout genaamd, in vloeibare vorm, besteld in liter (grote hoeveelheid), voor het vullen van een brandstoftank;
  • huisbrandolie (of mazout) aan de pomp: hetzelfde product als het hierboven toegelichte product, maar in kleine hoeveelheden gekocht (jerrycans van 5, 10 liter), gebruikt voor petroleumkachels;
  • lamppetroleum (c) aan de pomp: een verwarmingsbrandstof in vloeibare vorm, vooral gebruikt voor petroleumkachels (= op zich staande petroleumkachels zonder rookgaskanaal), gekocht in kleine hoeveelheden (jerrycans van 5, 10 liter);
  • bulkpropaangas: petroleumgas, verkocht in liter voor het vullen van een propaangastank.

Het Fonds komt dus niet tussen voor aardgas via aansluiting op het stadsdistributienet, propaangas in gasflessen en butaangas in gasflessen.
Het terugbetaalde bedrag hangt af van de gefactureerde prijs van de brandstof: hoe hoger de prijs, hoe groter de tussenkomst. Het Fonds komt tussen voor maximum 1500 liter en voor een totaalbedrag van maximum 300 euro per winter per gezin.
Voor personen die zich verwarmen met stookolie of verwarmingspetroleum (ook genoemd lamppetroleum) gekocht aan de pomp, is een forfaitaire toelage voorzien van 100 euro.
Zodra de op de factuur aangerekende prijs gelijk of hoger is dan de drempels die hieronder bepaald worden, wordt de bijdrage als volgt bepaald.

Per huishouden en per verwarmingsperiode kan er maximum 1.500 liter brandstof in aanmerking genomen worden voor de toekenning van een verwamingstoelage.
Voor de grote hoeveelheden geleverde brandstoffen schommelt het bedrag van de toelage tussen 14 cent en 20 cent per liter en de maximumtoelage per huishouden is 300 €.
De laatste jaren bedraagt de maximum toelage per huishouden 210 €.
Zodra de op de factuur aangerekende prijs, BTW inbegrepen, gelijk of hoger is dan de drempels die hieronder bepaald worden, wordt de bijdrage als volgt bepaald

 

Prijs per liter vermeld op
factuur

Bedrag van de toelage per
liter

Maximumbedrag van de toelage per prijscategorie

< € 1,04

14 cent

€210

≥ € 1,04 en < € 1,065

15 cent

€225

≥ € 1,065 en < € 1,09

16 cent

€240

≥ € 1,09 en < € 1,115

17 cent

€255

≥ € 1,115 en < € 1,14

18 cent

€270

≥ € 1,14 en < € 1,165

19 cent

€285

≥ € 1,165

20 cent

€300

Voor in kleine hoeveelheden aan de pomp aangekochte huisbrandolie of verwarmingspetroleum (type c) is er een forfaitaire verwarmingstoelage van € 210. Eén aankoopbewijs volstaat om recht te hebben op de forfaitaire toelage.
De toekenning van een forfaitaire toelage voor brandstof aan de pomp sluit de toekenning van een toelage voor een levering van brandstof in bulk uit, en omgekeerd.

De toelage wordt betaald aan de aanvrager.

Sociaal telefoontarief

Sommige bejaarden en/of gehandicapten met een laag gezinsinkomen betalen minder voor de telefoon. Zij betalen minder voor de aansluiting van de telefoon, voor het abonnement en voor de kosten van een gesprek.

  • Personen vanaf 65 jaar die alleen wonen of samenwonen met iemand ouder dan 60 jaar of met schoolplichtige kinderen of kleinkinderen.
  • Personen vanaf 18 jaar die 66% arbeidsongeschikt zijn, alleen wonen of samenwonen met maximum 2 familieleden.

Welke operatoren verstrekken het sociale tarief?

Sociaal tarief voor GSM

Je kunt slechts van één sociaal tarief (telefoon, gsm of internet) gebruikmaken binnen hetzelfde huishouden. De maximale korting kan voor één persoon op verschillende abonnementen samen genomen worden. 

Voordelen voor pe​rsonen met een leefloon

  • Maandelijkse korting van maximaal 8,40 euro op de abonnementsprijs van een internetverbinding.
  • Maandelijks korting van 3,10 euro op de gesprekskosten van een telefoon of gsm (ook geldig voor herlaadkaarten). 

Voordelen voor de andere personen

  • Eenmalige korting van 50% bij aansluiting van vaste telefoon.
  • Maandelijkse korting van maximaal 8,40 euro op de abonnementsprijs van internet, gsm of telefoon.
  • Maandelijkse korting van 3,10 euro op de gesprekskosten (ook geldig voor herlaadkaarten). 
Heb je verschillende operatoren? Dan verleent alleen de operator die de gesprekken levert daarop een korting van maximaal 11,50 euro.

Wie komt in aanmerking?

Je bent ouder dan 65 jaar en: 
  • je woont alleen of samen met een of meer personen ouder dan 60 jaar;
  • je woont samen met je kinderen of kleinkinderen die schoolplichtig zijn of een handicap hebben van minstens 66% (kleinkinderen moeten bovendien wees zijn van beide ouders of werden je bij gerechtelijke beslissing toegewezen); 
  • je woont in een hotel, een woonzorgcentrum, bejaardenflat of een andere vorm van gemeenschapsleven en je hebt een individueel abonnement dat je als titularis gebruikt;
  • je bruto jaarlijks gezinsinkomen is niet hoger dan 18.730,66 euro, verhoogd met 3.467,55 euro per persoon ten laste.
Je bent ouder dan 18 jaar en:
  • je hebt een handicap van minstens 66%: 
  • je werd minstens 66% blijvend fysisch of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt verklaard; 
  • je bent invalide in het kader van de ziekteverzekering;  
  • je hebt een inkomensvervangende tegemoetkoming en een vermindering van het verdienvermogen tot een derde of minder; 
  • je hebt een verminderde graad van zelfredzaamheid van minstens negen punten; 
  • je woont samen met maximaal twee personen of met bloed- of aanverwanten van de eerste of tweede graad;
  • je bruto jaarlijks gezinsinkomen is niet hoger dan 18.730,66 euro, verhoogd met 3.467,55 euro per persoon ten laste.

Let op! De begunstigde van de optie sociaal tarief mag bij een andere operator geen sociaal tarief genieten. Dit geldt zowel voor een vaste lijn als voor een GSM. Bovendien mag er in het gezin slechts één begunstigde zijn van om het even welk sociaal beltarief.

Leefloners krijgen elke twee maanden een voorafbetaalde kaart met een krediet van 6,20 euro. Gesprekken lopen wel tegen het normale tarief. Afhankelijk van de operator aan wie de vraag gesteld wordt, zal mobiel of vast gebeld kunnen worden met de kaart. De kaart moet worden aangevraagd bij de operator (door de leefloner of door het OCMW). Meer informatie bij het OCMW.

Specifiek Sociaal Tarief Gas en Elektriciteit

https://economie.fgov.be/nl/themas/energie/energieprijzen/sociaal-tarief/sociaal-tarief-voor

Mensen met een laag inkomen betalen minder hun verbruik van gas en elektriciteit.
Het sociaal tarief voor gas houdt in: geen vastrecht betalen, geen energietaks betalen en 556 KWh gas gratis per jaar.
Het sociaal tarief voor elektriciteit houdt in: geen vastrecht betalen, geen energietaks en de eerste 500 KWh gratis.
Wie één van de volgende uitkeringen krijgt, komt in aanmerking. Ook wanneer een inwonend kind, kleinkind of ouder een van deze uitkeringen krijgt, kan men een aanvraag doen:

  • leefloon (attest van het OCMW);
  • IGO (Inkomensgarantie voor Ouderen) (attest rijksdienst voor pensioenen);
  • integratietegemoetkoming of inkomensvervangende tegemoetkoming of tegemoetkoming hulp aan bejaarden (attest Ministerie Soc. Zaken).

Aanvragen bij de lokale gas- en elektriciteitsmaatschappij.

Studietoelage

Criteria die onderzocht worden voor toekenning van studietoelagen
  • Nationaliteit
  • Gezinssituatie
  • Inkomen
  • Pedagogische voorwaarden

De procedure

Als je het recht op maatschappelijke integratie/leefloon of geldelijke bijstand wilt ontvangen, neem je contact op met het OCMW/Sociaal huis om de nodige hulp te vragen. Je kan het ook door iemand anders laten doen.
Het OCMW kijkt vervolgens na of je aan de nodige voorwaarden voldoet en voert een sociaal-financieel onderzoek uit. Binnen de maand wordt je aanvraag voorgelegd aan het Bijzonder Comité voor Maatschappelijke Dienstverlening dat beslist of je een uitkering krijgt. Indien je situatie verandert, dien je dit zo vlug mogelijk te melden. Het OCMW zal regelmatig nazien of je nog steeds aan de voorwaarden voldoet.

Externe links:

Top